afbeelding 2e concilie van Nicea
Een persoonlijke beschouwing
De laatste jaren zie ik een sterke groei van de belangstelling voor iconen schilderen. Overal verschijnen cursussen, workshops.
Toen ik begon waren er nog maar enkele mogelijkheden om iconen te leren schrijven. Nu hoor ik van workshops van leerlingen van mensen die ooit les bij me volgden.
De schoonheid van oosterse christelijke iconen, orthodoxe iconen en Byzantijnse iconen spreekt veel mensen aan en wekt belangstelling voor de rijke traditie van de Kerk. Toch roept deze ontwikkeling ook vragen op. Want een icoon is niet zomaar een kunstwerk, geen decoratief object of vorm van creatieve vrijetijdsbesteding zoals werken met kurk, keramiek of aquarelverf. De icoon behoort tot het hart van de christelijke geloofstraditie en heeft een diepgaande plaats binnen de kerkelijke kunst, de liturgie en de christelijke spiritualiteit.
Mijn eigen leermeester zei ooit dat iemand pas na ongeveer twaalf jaar opleiding en ervaring werkelijk zelfstandig iconen zou kunnen schilderen. Destijds vond ik dat een lange weg. Later ben ik gaan begrijpen wat hij bedoelde. Het schilderen van een icoon vraagt niet alleen artistiek vakmanschap, maar ook kennis van de Schrift, vertrouwdheid met de liturgie, inzicht in de theologie van de icoon en een diep begrip van de traditie van de iconografie.
Persoonlijk heb ik zowel een theologische als een artistieke achtergrond. Juist daardoor ben ik steeds meer gaan beseffen dat iconenschilderen niet in de eerste plaats een hobby is, maar een roeping. Temeer daar het offers en begripvolle uit de omgeving
met zich mee brengt. Een icoonschilder verkondigt met kleur en vorm het evangelie. De icoon is immers niet alleen kunst, maar ook geloofsverkondiging. Daarom wordt zij vaak omschreven als "geschreven theologie".
Tijdens de ingebruikname van enkele van mijn iconen in een kerk sprak Geert van Dartel, verbonden aan de Vereniging voor Oecumene en de Raad van Kerken, woorden die mij altijd zijn bijgebleven. Hij zei: "Men zou moeten huiveren eer men eraan begint." Huiveren uit eerbied. Men raakt iets aan dat groter is dan zichzelf. Wie een icoon schildert, treedt binnen in een eeuwenoude traditie van gebed, geloof en verkondiging.
De Kerk heeft het belang van iconen uitdrukkelijk bevestigd. Het Tweede Concilie van Nicea (787), het Zevende Oecumenische Concilie, verklaarde dat de verering van iconen geoorloofd is omdat de eer die aan het beeld wordt bewezen overgaat op degene die erop is afgebeeld. Daarmee werd bevestigd dat iconen geen versiering zijn, maar een wezenlijk onderdeel vormen van het geloofsleven van de Kerk.
De grote kerkvader Johannes Damascenus, een van de belangrijkste verdedigers van de iconen, schreef: "Wat het woord meedeelt aan het gehoor, dat toont het beeld zwijgend aan het oog." In deze ene zin ligt de kern van de icoon besloten. Zij verkondigt en onderwijst en maakt het evangelie zichtbaar. Dat legt een grote verantwoordelijkheid op de schouders van degene die haar vervaardigt.
Het is ook opvallend dat de grote iconenschilders uit de traditie nooit eenvoudigweg kopieerden. Natuurlijk grijpt elke icoon terug op een oerbeeld en vastgelegde iconografische regels. Maar wie oude iconen zorgvuldig bestudeert, ontdekt dat iedere meester een eigen artistieke kwaliteit en geestelijke diepgang toevoegde. Dat ontstaat pas als er offers voor gebracht zijn, men door iets heen os gegaan, de diepte in. De traditie werd niet mechanisch herhaald, maar doorgegeven. Het verschil tussen navolging en nabootsing is wezenlijk. Een icoon is geen reproductie, maar een nieuwe getuigenis binnen de geloofstraditie.
Mijn zorg betreft daarbij niet het feit dat iconenschilders voor hun werk worden betaald. De Schrift leert immers duidelijk: "De arbeider is zijn loon waard" (Lucas 10,7). Wie zich jarenlang verdiept in iconenschilderen, religieuze kunst, theologie, kerkelijke traditie en artistiek vakmanschap, mag daarvoor een rechtvaardige vergoeding ontvangen. Een geroepen icoonschilder moet ook de mogelijkheid hebben om met zijn gezin van deze arbeid te leven. Door de eeuwen heen hebben kerken, kloosters en gelovigen kunstenaars ondersteund die hun talenten ten dienste stelden van het geloof.
Waar mijn vragen beginnen, is wanneer iconen schilderen wordt benaderd als een leuke bezigheid voor de vrije tijd, een creatieve hobby of een gemakkelijke bijverdienste na pensionering. De icoon is immers geen decoratief product, maar een vorm van verkondiging. Zij vraagt om toewijding, studie, gebed en een diep besef van verantwoordelijkheid. In sommige tradities van het iconenschilderen wordt aan het einde van het werk gebeden dat de voltooide icoon "ons en anderen ten goede moge komen". Die woorden drukken precies uit waar het om gaat. De icoon staat niet in dienst van de schilder, maar van God, de Kerk en allen die door haar worden geraakt.
De Russische theoloog Pavel Florenski noemde de icoon een "venster op de eeuwigheid". Wie zo'n venster schildert, draagt verantwoordelijkheid voor wat daardoor zichtbaar wordt. Dat vraagt vakmanschap, maar ook nederigheid. Het vraagt studie, gebed en een voortdurende bereidheid om leerling te blijven.
Daarom geloof ik dat niet iedereen die een penseel kan of wil hanteren automatisch geroepen is om iconen te schilderen. Zoals niet iedere theoloog predikant wordt en niet iedere musicus kerkmusicus, zo vraagt ook het iconenschilderen om een bijzondere combinatie van talent, vorming en roeping. De Kerk mag verwachten dat iconenschilders zich verdiepen in de geloofstraditie die zij verbeelden en dat zij zich bewust zijn van de geestelijke verantwoordelijkheid van hun werk.
Een cursus iconen schilderen is vooral zinvol als plaats van onderscheiding en eerste vorming: om talent en mogelijke roeping te toetsen, om de basis van iconografie en traditie te leren verstaan, en om te voorkomen dat men in imitatie of “knutselniveau” blijft steken. Voor diepere vorming in de theologie van de icoon, de Byzantijnse traditie, het Concilie van Nicea (787) en kerkvaders als Johannes Damascenus zijn studie, liturgie en vooral gebed minstens zo belangrijk; het verstaan van een icoon groeit vaak sterker in stilte en gebed voor een icoon dan in het zelf maken ervan zonder voldoende geestelijke en theologische bedding.
Voor mij persoonlijk blijft iconen schilderen allereerst een opdracht tot verkondiging. Niet eigen expressie staat centraal, maar het zichtbaar maken van het heilige. Iedere voltooide icoon herinnert eraan dat ik niet de eigenaar ben van de traditie, maar haar dienaar. Misschien is dat uiteindelijk de betekenis van het huiveren waarover Geert van Dartel sprak: het besef dat een icoon nooit alleen door menselijke handen wordt gemaakt, maar altijd verwijst naar een werkelijkheid die groter is dan de schilder zelf.
Iconen schilderen is daarom geen hobby, geen vrijblijvende creatieve bezigheid en geen gemakkelijke nevenactiviteit. Het is een ambacht, een vorm van theologie, een weg van gebed en bovenal een roeping. Wie haar werkelijk verstaat, weet dat iedere streek van het penseel een daad van verkondiging kan zijn. En misschien is het zelfs beter reeds bij de aanvang van de belangstelling ervoor: een icoon kopen bij een professionele iconograaf of een oude traditionele icoon veeleer dan er een zelf te willen schilderen. Zich erbij onder te dompelen in het gebed en zo de waarde en bemiddeling van een icoon te ervaren.
Reactie plaatsen
Reacties