De icoon als teken van eenheid
Bestaat er een eenduidige canon voor iconenschilders?
Wie zich verdiept in de kunst van het iconenschilderen, stelt vroeg of laat de vraag: bestaat er eigenlijk een officiële canon voor iconenschilders? Is er een gezaghebbende regel die bepaalt hoe een icoon behoort te worden geschilderd? En geldt die alleen voor de orthodoxe kerken, of ook voor de katholieke en de oosters-orthodoxe kerken?
Het antwoord is verrassend én hoopgevend. Er bestaat geen handboek dat door alle orthodoxe kerken gezamenlijk is vastgesteld. Er is geen "Pan-Orthodox Reglement voor Iconenschilders". Toch bestaat er wel degelijk een canon. Die canon leeft niet allereerst in een wetboek, maar in de levende Traditie van de Kerk.
De oorsprong daarvan ligt in de eerste eeuwen van het christendom en werd definitief bevestigd tijdens het Tweede Concilie van Nicea. Dit concilie verklaarde dat de verering van iconen geen afgoderij is, omdat de eer die aan een icoon wordt bewezen, overgaat op de afgebeelde persoon. De grondslag hiervoor is de menswording van Christus. God is zichtbaar geworden in Jezus Christus; daarom mag Hij ook zichtbaar worden afgebeeld.
Hiermee werd de icoon niet slechts toegestaan, maar erkend als een wezenlijk onderdeel van de geloofsverkondiging. De Kerk spreekt daarom vaak over de icoon als het Evangelie in kleur.
De Oosters-Orthodoxe Kerk heeft deze traditie het meest volledig bewaard. De iconenschilder is daar geen kunstenaar in moderne zin, maar een dienaar van de Kerk. Hij schildert niet vanuit persoonlijke originaliteit, maar vanuit gehoorzaamheid aan het geloof dat de Kerk ontvangen heeft. Daarom bestaan er vaste iconografische typen, symbolische kleuren, een geestelijk perspectief en een liturgische bestemming van de icoon. Niet om de creativiteit te beperken, maar om de waarheid van het Evangelie zichtbaar te bewaren.
Een belangrijke uitleg van deze traditie vinden we bij de heilige Johannes van Damascus, die tijdens de iconenstrijd schreef:
"Vroeger kon God, die geen lichaam had, op geen enkele wijze worden afgebeeld. Maar nu God verschenen is in het vlees en onder de mensen heeft gewoond, beeld ik af wat zichtbaar is geworden van God."
Deze woorden vormen nog altijd de kern van iedere authentieke iconografie.
Later werden de overgeleverde gebruiken samengebracht in de Hermeneia van Dionysios van Fourna. Dit boek wordt vaak een "handleiding" genoemd, maar is eigenlijk veel meer een samenvatting van de levende traditie dan een verzameling bindende voorschriften.
Ook de Koptisch-Orthodoxe Kerk en de andere oosters-orthodoxe kerken kennen een eeuwenoude iconografische traditie. Hun stijl verschilt van de Byzantijnse school, maar de theologie is opmerkelijk gelijk. De icoon is geen decoratie, maar een venster op het Koninkrijk van God. Zij dient de liturgie, ondersteunt het gebed en verkondigt het mysterie van de menswording.
Vaak wordt gedacht dat iconen uitsluitend tot de orthodoxe wereld behoren. Historisch is dat onjuist. Gedurende het eerste millennium waren Oost en West één Kerk. De iconen uit deze periode zijn daarom niet "orthodox" of "katholiek"; zij behoren tot het gemeenschappelijke erfgoed van de onverdeelde Kerk.
Ook de Katholieke Kerk heeft de leer van Nicea II altijd behouden. Wel ontwikkelde het Westen later ook andere vormen van religieuze kunst, zoals de gotiek, de renaissance en de barok. Hoewel nooit in zijn geheel verdwenen bleven iconen in tal van westerse landen en Latijnse kerken in de schaduw, zonder dat hun theologische betekenis ooit werd verworpen.
Juist in de afgelopen decennia is deze oude rijkdom opnieuw ontdekt. De rol van Johannes 23 en het concilie zijn van grote betekenis hiervoor, dat is een appart hoofdstuk.
Johannes Paulus II noemde de icoon in zijn apostolische brief Duodecimum Saeculum (1987) een "gemeenschappelijk erfgoed van Oost en West." Hij schreef:
"De iconografische traditie verdient opnieuw te worden gewaardeerd, omdat zij behoort tot de volledige overlevering van de Kerk."
Hij zag in de herontdekking van de icoon niet alleen een verrijking van de katholieke spiritualiteit, maar ook een weg naar de hereniging van de kerken.
In zijn apostolische brief Orientale Lumen schreef dezelfde paus bovendien:
"De Kerk moet leren ademen met haar twee longen: Oost en West."
Die bekende woorden zijn misschien nergens zo zichtbaar als in de wereld van de iconografie.
Ook Benedictus XVI benadrukte dat schoonheid een weg naar God is. Regelmatig wees hij erop dat de icoon geen esthetisch object is, maar een vorm van theologie. Zij openbaart de heerlijkheid van Christus en nodigt uit tot contemplatie.
Franciscus spreekt met grote waardering over de spirituele rijkdom van de christelijke oosterse kerken. Volgens hem is hun iconografische traditie een gave aan de gehele Kerk en een blijvende bron van wederzijdse verrijking.
Onder de moderne iconografen heeft vooral Leonid Ouspensky grote invloed gehad. Zijn boeken behoren inmiddels tot de standaardwerken over de theologie van de icoon.
Ouspensky schrijft:
"De icoon is niet de illustratie van een religieus onderwerp; zij is de uitdrukking van het geloof van de Kerk."
En elders zegt hij:
"De icoon is theologie in kleuren."
Daarmee bedoelt hij dat de icoon dezelfde waarheid verkondigt als de Heilige Schrift, de liturgie en de geloofsbelijdenis. Wie een icoon schildert, neemt daarom deel aan de verkondiging van de Kerk.
Wanneer we de katholieke, orthodoxe en oosters-orthodoxe tradities naast elkaar leggen, valt vooral op hoeveel zij gemeenschappelijk hebben. Zij verschillen in stijl, techniek en culturele vormgeving, maar niet in hun fundamentele visie op de icoon. Alle belijden dat Christus werkelijk mens is geworden. Alle erkennen dat de icoon verwijst naar de afgebeelde persoon. Alle zien haar als een hulpmiddel voor liturgie en gebed. Alle beschouwen haar als een zichtbaar getuigenis van de apostolische Traditie.
Misschien ligt daarin juist haar bijzondere roeping voor onze tijd.
In een wereld waarin christenen elkaar opnieuw zoeken, kan de icoon uitgroeien tot een zichtbaar teken van de eenheid waar Christus zelf om bad: "dat zij allen één mogen zijn." De icoon gaat immers terug op een tijd waarin de Kerk nog onverdeeld was. Zij behoort niet toe aan één confessie, maar aan het gezamenlijke geheugen van de christelijke traditie.
Misschien is daarom de tijd gekomen om, zonder de eigen tradities op te geven, een gezamenlijke geloofsregel voor iconografen te formuleren. Niet als juridisch voorschrift, maar als gemeenschappelijke belijdenis.
Een mogelijke oecumenische canon voor iconenschilders
De iconograaf erkent dat iedere authentieke icoon haar oorsprong vindt in de menswording van Jezus Christus en geworteld is in de Heilige Schrift, de apostolische Traditie en de geloofsleer van de onverdeelde Kerk. Hij of zij schildert in een geest van gebed, nederigheid en liefde voor de Kerk. De icoon dient niet de persoonlijke roem van de kunstenaar, maar de verheerlijking van God, de verkondiging van het Evangelie en de opbouw van de gelovigen. Zij bewaart trouw de ontvangen beeldtaal van de Kerk en staat open voor een verantwoorde ontwikkeling die in overeenstemming blijft met het geloof. Zo wordt iedere authentieke icoon een venster op het Koninkrijk van God én een zichtbaar teken van de groeiende eenheid tussen katholieke, orthodoxe en oosters-orthodoxe kerken.
Reactie plaatsen
Reacties